Begijnhof Breda  


Historie
............................................................................................

Wat zijn begijnen?
Het begin in Breda
De eerste Begijnenkerk
De verplaatsing van het Begijnhof
Johanna van Polanen
De Wendelinuskapel
De tachtigjarige oorlog
De begraafplaats
Bijzondere bescherming door Prinsen van Oranje-Nassau

De noodkerk
Een nieuwe kerk

Uitbreiding van het Begijnhof
Herfsttij voor de begijnengemeenschap

............................................................................................

Wat zijn begijnen?

Begijnen en begarden zijn vrouwen en mannen die leven als alleenstaanden en deel uitmaken van een soort vrije lekengemeenschap binnen de Rooms-katholieke Kerk. Anders dan een lid van een kloosterorde leggen begijnen en begarden geen eeuwige geloften af; hoewel zij kuisheid en gehoorzaamheid beloven aan de uit eigen kring gekozen overste, die ‘meester’ of ‘meesteres’ wordt genoemd, mogen zij wel geldelijk en onroerend eigendom behouden. In Breda kende de beweging - voor zover bekend - enkel een vrouwelijke tak. De begijnenkleding bestaat uit een zwart habijt met witte kap die uitloopt met een punt op de rug. Oorspronkelijk kwamen begijnen zonder toestemming van juffrouw meesteres niet buiten het hof. De begijnen hielden zich bezig met handenarbeid, ziekenzorg, het bidden voor overledenen en het geven van onderwijs aan kinderen. Vele oude Bredanaars kennen het Begijnhof vooral van het zogenoemde bewaarschooltje.

Naar boven


Het begin in Breda

Het Begijnhof van Breda is een van de oudste rechtspersonen in Nederland. Waarschijnlijk woonden er al begijnen voordat Breda in 1252 stadsrechten kreeg. Historici houden echter het jaartal 1267 aan voor de oprichting. In dat jaar ontvingen de begijnen van Hendrik V van Schoten, Heer van Breda, de grond waarop zij zich gevestigd hadden, in eigendom. Het hof lag pal naast het kasteel en bestond uitsluitend uit woningen. Van Schoten gaf de begijnen in hetzelfde jaar toestemming een kerk te bouwen en een begraafplaats aan te leggen. Bij archeologisch onderzoek in de jaren negentig van de vorige eeuw zijn dertiende-eeuwse fundamenten van dit eerste Begijnhof teruggevonden.

Naar boven

De eerste Begijnenkerk

In 1270 gaf ook de bisschop van Luik, tot wiens bisdom Breda tot de tweede helft van de zestiende eeuw behoorde, de begijnen toestemming om een kerk te bouwen. Het hoofdaltaar hiervan was toegewijd aan St. Catharina. Deze kerk heeft dienst gedaan tot omstreeks 1500, daarna is hij geheel of gedeeltelijk vervangen. In een vergaderverslag van de begijnen uit 1510 staat te lezen dat men ‘van noots wegen heeft moeten timmeren een nyewe kerke’.

Naar boven

Johanna van Polanen (1392 – 1445)

Johanna van Polanen, echtgenote van graaf Engelbrecht I van Nassau ging, nadat ze op het kasteel haar kinderen gebaard had, in 1427 in het huis ‘Valkenberg’ wonen, liggend in het kasteeltuincomplex nabij het oude Begijnhof. Twee jaar later begon zij met de voorbereidingen van de bouw van de in 1440 voltooide kapel ter ere van de heilige Wendelinus, een pestheilige en herderspatroon van Schotse of Ierse komaf die in de omgeving van Trier vereerd werd. Johanna’s moeder, Odila van Salm was uit deze streek afkomstig. Bovendien wilde Johanna ook een mannenklooster stichten, dat dan het eerste mannenklooster binnen de stad zou zijn. Of dit klooster ooit gebouwd is wordt momenteel nog onderzocht. De mannelijke orde is er met zekerheid niet gekomen, maar Johanna van Polanen heeft onbedoeld een weg gebaand voor de komst van de 13e-eeuwse Bredase begijnengemeenschap naar het huidige Begijnhof.

Naar boven

De verplaatsing van het Begijnhof 

Omstreeks 1527 had Graaf Hendrik III van Nassau plannen om zijn Bredase Kasteel uit te bouwen tot renaissance-paleis. Het Begijnhof lag daarvoor in de weg en vormde in oorlogstijd bovendien een zwakke plek in de verdediging van het kasteel. Als nieuwe locatie bood hij de begijnen de locatie achter de Wendelinuskapel aan. Die was immers, net als de kapel, eigendom van de Nassaus. De begijnengemeenschap, die met hun oude hof ook hun eigen stenen kerk moest achterlaten, kreeg de Wendelinuskapel erbij. In juli 1535 vestigden de eerste begijnen zich in hun nieuwe hof.

Naar boven

De Wendelinuskapel

Nadat de begijnen beschikking kregen over de Wendelinuskapel, hebben zij bijzonder hun best gedaan om van de kapel een eigen Catharinakerk te maken. De rekeningen van de meesteressen van het Begijnhof bevatten in de tweede helft van de zestiende eeuw een groot aantal posten, die daarop wijzen. Er werden uitgaven gedaan voor het vervaardigen van een altaar, een schilderij en een glasraam. In maart 1982 is bij restauratiewerkzaamheden in de westgevel de oorspronkelijke toegangspoort van de kapel teruggevonden. Deze was ingemetseld in een spouw. Zelfs op de naald van de deur bevond zich een houten beeldje van de heilige Catharina. De reden dat de begijnen deze deur hebben laten inmetselen is wellicht terug te voeren op de onzekere tijd tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Naar boven

De tachtigjarige oorlog

Tijdens de perioden dat Breda in Staatse handen was, gold een verbod op de katholieke eredienst. Van 1590 tot 1625 moesten de begijnen hun kerk afstaan. In die periode maakten zij gebruik van een noodkerk. Na de verovering door Spinola in 1625 werd de Wendelinuskapel echter weer voor de katholieke eredienst in gebruik genomen. Maar sinds de Vrede van Munster in 1648 moesten de begijnen het kerkgebouw definitief afstaan aan de Waalse gemeente. In 1649 kreeg de kerk een eigen ingang aan de Catharinastraat en werd de oorspronkelijke toegang dichtgemetseld. Misschien leefden de begijnen in de veronderstelling dat deze deur binnen afzienbare tijd weer voor hen open zou gaan. De geschiedenis leert echter anders.

Naar boven

De begraafplaats

Vreemd genoeg werden de begijnen en hun pastoors wel in een crypte onder de Waalse Kerk begraven. In 1791 had pastoor Van Bergen voor zichzelf en zijn opvolgers in het koor een nieuwe grafkelder laten maken, waarin hij in 1825 is bijgezet. Pas sinds het wettelijke verbod op begraven in kerken in 1830 kwam een einde aan dit gebruik en hebben de begijnen een eigen begraafplaats op Zuylen.

Naar boven

Bijzondere bescherming door Prinsen van Oranje-Nassau

Hoewel de katholieke eredienst bij de Vrede van Munster in 1648 verboden werd en geestelijken de stad moesten verlaten, werd de begijnengemeenschap beschermd door de Prinsen van Oranje-Nassau, zoals blijkt uit de vier akten van Sauvegarde (1590, 1637, 1649 en 1653). Het Bredase Begijnhof dankt hieraan zijn voortbestaan. De bescherming gold voor het hof en de bewoners. De begijnen konden hierdoor novicen blijven aannemen en zelfs een priester laten wonen op het Begijnhof.

Naar boven

De noodkerk

De begijnen moesten zich vanaf 1648 behelpen met een noodkerk die tegen de noordkant van de Waalse Kerk stond. Van het interieur van deze kerk weten we weinig. Waarschijnlijk is het wel een barokke huiskerk geweest, maar voor zover bekend is er geen afbeelding van bewaard gebleven. Wel weten we dat vele begijnen schenkingen hebben gedaan om het interieur te verfraaien. Een deel van de kerkschat van de huidige Begijnhofkerk dateert met zekerheid uit deze tijd. Vanaf 1687 moet er ook een orgel zijn geweest, dat omstreeks 1713 is vervangen. De noodkerk heeft dienst gedaan tot 1838.

Naar boven

Een nieuwe kerk

Eind 1825 werd pastoor Van Zon benoemd als nieuwe pastoor van het Begijnhof. Al snel had hij het plan om de noodkerk te vervangen, daar die ´zeer dompig en tochtig´ was en ´ongeschikt voor onze godsdienst´. Sinds de Bataafse Republiek in 1796 de scheiding tussen kerk en staat afkondigde, verbeterde de positie van de Katholieke Kerk in Nederland. In het begin van de negentiende eeuw was het in beperkte mate weer mogelijk nieuwe kerken te bouwen. Echter, Koning Willem I had bij Koninklijk Besluit van 1824 bepaald dat geen nieuwe kerken gebouwd mochten worden zonder voorafgaande Koninklijke goedkeuring. Begin maart 1836 ontving de pastoor het Koninklijk Besluit dat hem toestemming verleende een nieuwe kerk te bouwen. Dit moest echter wel gebeuren onder toezicht van een hoofdingenieur van het Ministerie van Waterstaat, waarbij de kosten volledig door het Begijnhof werden gedragen. Deze Neoclassicistische kerk werd ontworpen door A. van der Aa en op 25 juli 1838 plechtig gewijd. De kerk is toegewijd aan de heilige Catharina.

Naar boven

 

Uitbreiding van het Begijnhof

Na het overlijden van pastoor Van Zon (1859), die naast de kerk in 1850 een pastorie liet bouwen, werd pastoor Verdaasdonk benoemd. In de periode 1860-1863 kwam in samenwerking met de toenmalige meesteres van het Begijnhof een uitbreiding tot stand aan de noordoostzijde, bestaande uit negen woningen en een gemeenschappelijke ruimte, de begijnenzaal. Dit gedeelte wordt aangeduid met de naam ‘Nieuwe Hof’.

Naar boven

 

Herfsttij voor de begijnengemeenschap

In het begin van de twintigste eeuw kreeg de begijnengemeenschap het in toenemende mate moeilijk. Er kwamen steeds minder novicen en de leegstaande woningen werden verhuurd aan alleenstaande vrouwen of weduwen: ´buitenpoorters´, zoals ze werden genoemd. Een laatste reddingspoging werd ondernomen toen de begijnen in contact werden gebracht met de gezinszorg. Maar dit leverde slechts enkele novicen op. De laatste Nederlandse begijn, Zuster Cornelia Catharina Frijters overleed op Goede Vrijdag 13 april 1990. Met haar dood kwam formeel een einde aan zeven eeuwen begijnengeschiedenis in Breda. Enkele begijnhofbewoonsters hebben haar overlijden juist aangegrepen om iets nieuws te beginnen. Nog steeds komen zij iedere ochtend in gebed bijeen. Zonder veel ophef vormen zij een eigentijdse voortzetting van de eeuwenoude religieuze gemeenschap op deze plaats.

Naar boven

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Colofon
Begijnhof Breda