Wetenschappelijke monografie bouwhistorie - Begijnhof Breda
16149
page,page-id-16149,page-template-default,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-9.5,wpb-js-composer js-comp-ver-4.12,vc_responsive
 

Wetenschappelijke monografie bouwhistorie

Wie de geschiedenis van een plek wil leren kennen, heeft vele mogelijkheden. Er zijn altijd mensen te vinden die verhalen kunnen vertellen, soms uit eigen herinnering. Boeken en artikelen zijn er volop, in alle soorten en maten; op internet liggen feiten en beweringen voor het oprapen. Specifieke informatie kan opgezocht worden in een plaatselijk of provinciaal archief. De combinatie van zulke bronnen levert vaak een ‘veelkleurig’, genuanceerd verhaal op. Ook de plek zelf roept vragen op. Oud beeldmateriaal, zoals oude kaarten en foto’s, helpt die te beantwoorden. Net als wetenschappelijke methoden die licht op het onderwerp werpen. Denk aan archeologie en historische geografie.

Daaraan verwant, maar iets anders, is bouwhistorisch onderzoek. Bij dat type onderzoek staan historische gebouwen en hun omgeving centraal, als onderwerp en als eerste bron. Meer plechtig gezegd, houdt een bouwhistoricus zich bezig met het gebouwde en onbebouwde erfgoed. Door kennis van de manieren van bouwen in een bepaalde regio, van constructies, van materialen en andere technische zaken en hoe dat alles in de loop der tijd veranderde, kan de geschiedenis van bouwwerken worden doorgrond. Met een bredere aanpak – met behulp van informatie die wordt geboden door andere bronnen en methodes, zoals hierboven genoemd – is het mogelijk een groter verhaal te reconstrueren, waarbij diverse historische achtergronden bij elkaar komen. Er wordt weleens gesteld: ‘als de muren konden spreken …’. Welnu, dat doen ze. Een bouwhistoricus is een tolk, die de plek laat vertellen.

In de voorbije jaren is door deze bril naar het Bredase Begijnhof gekeken. Het heeft een zeer lange geschiedenis. Op de huidige plaats is dat complex bijna vijfhonderd jaar oud; de begijnen leefden tot omstreeks 1535 dichterbij het kasteel. De instelling is nog eens een paar honderd jaar ouder (we vieren in 2017 het 750-jarig bestaan). Niet verwonderlijk dat er als voorbereiding op het bouwhistorische onderzoek een hoop gelezen is, zo’n beetje alles dat over dit Begijnhof geschreven is. Maar vooral zijn de gebouwen zelf aan het woord gelaten. Wie er letterlijk langer bij stilstaat, merkt dat zij vragen doen opkomen. Daarop kan een antwoord worden gezocht in verschillende bronnen. Te Breda hebben we het geluk dat het Begijnhofarchief voor een groot deel behouden is; de informatie die het geeft gaat vele eeuwen terug. Zo kan een aan een huis af te lezen datering dikwijls worden vergeleken met oude stukken uit zo’n gevonden periode. We geven drie schetsen van opmerkelijke vondsten en van ‘verhalen’ daarachter schuilgingen. De nummers vindt u terug op de plattegrond.

11-1
  1. Wat aan een kleine groep ingewijden bekend was, verscheen in 1990 in de krant: achter de Waalse Kerk werd rond 1440 een klooster gebouwd, waarvan de kerk een onderdeel was. In de periode 2010-2016 werden hiervan meer restanten gevonden. Hoewel de vleugel met huisjes direct achter de Waalse Kerk negentiende-eeuws oogt, zijn in ruime mate oudere stukken muur in behouden. Tenminste daarin twee aangetroffen doorgangen horen bij het laatmiddeleeuwse klooster. Andere sporen herinneren aan de tijd waarin de begijnen hier hun ziekenzaaltje en (later) hun schuilkerkje hadden. In de noordmuur van de kerk blijken maar liefst vier doorgangen uit de periode 1440-1648 te zitten, die wijzen op een intensief verkeer door de gebouwen.
  2. De oudste begijnenhuisjes, in twee rijen langs het bleekveld, kwamen tot stand omstreeks 1535. Er wordt in de wandeling regelmatig gewezen op het metselwerk van de verdieping, dat er zo anders uitziet dan dat van de begane grond. De vraag luidt dan wat dat verschil veroorzaakte. De woningen werden rond 1785 verhoogd met een verdieping, ongetwijfeld om meer ruimte en comfort te kunnen bieden. Doorgaans leefden achter één voordeur twee begijnen. Zij deelden de eerste twee en een halve eeuw alleen een begane grond en een grote zolder. Vanaf de late achttiende eeuw kwamen er dus twee volwaardige verdiepingen tot hun beschikking. Weer een eeuw later, nadat de rest van het hof al was gerenoveerd, vernieuwde men de huizen nog eens. Wie denkt dat daarmee het uiterlijk en het inwendige bepaald waren, heeft het echter mis. Tijdens de grote restauratie tussen 1967 en 1980 is zeer veel historisch materiaal vervangen (soms haast onzichtbaar, maar toch). Het maakt de puzzel om te achterhalen hoe de huisjes door de eeuwen heen functioneerden moeilijk, maar des te interessanter.
  3. Rechts achter het beekveld en naast de Catharinakerk staat de pastorie. Dat deze op een intrigerende plaats staat, met een lange geschiedenis, wordt duidelijk zodra men oude kaartjes vergelijkt. Voordat pastoor Van Zon zichzelf in 1850 een nieuw onderkomen gunde, hebben hier uiteenlopende bouwsels gestaan. Eerst was er de stadsmuur die stond op een brede wal, met daarachter de stadsgracht of -vest. Toen de begijnen hierheen verhuisden werden er huisjes tegen die muur gezet. Later, toen de stadsmuur niet meer nodig was, bouwde men in de hoek het Groothuis, waar officiële gelegenheden zoals vergaderingen konden plaats vinden. Dat letterlijk grote huis stond zelfs achter de lijn van de vroegere stadsmuur – half over de gracht. Daarover is in de vroege zeventiende eeuw stevig ruzie met de buren gemaakt. Overigens is niet waar wat ook wel beweerd is, namelijk dat op dezelfde plek een veertiende-eeuwse muurtoren stond. Die stond iets verder naar het oosten, net buiten het hof. Wél waar is, dat de begijnen daar tot rond 1600 zelf nog bier brouwden. De oever van de middeleeuwse gracht verraadt zich intussen nog met enkele verzakkingen die binnen en buiten zijn te vinden.

Van dit soort kwesties zijn er veel meer tevoorschijn gekomen, sinds de eerste verkenningen in 2008. Al gauw bleken de begijnengebouwen zoveel over het bouwen en leven op dat hof te kunnen vertellen, dat het bestuur van de Stichting Het Begijnhof een groot onderzoek op touw zette. De resultaten daarvan worden door de bouwhistoricus, de heer J. Veerman, in een rijk geïllustreerd boek gepresenteerd, dat komend voorjaar verschijnt bij uitgeverij Matrijs. Het spreekt vanzelf dat daarin de verhalen binnen bredere kaders zijn geplaatst. Zodat de bouwhistorie van het Begijnhof ook echt wat vertelt over die nog altijd fraaie, kalme plek; het bouwhistorisch onderzoek wijst aan wat we daar kunnen zien en hoe dat zo gekomen is.